Cognitieve training
Voor wie?
De cognitieve training is voor kinderen die als gevolg van een functionele oorzaak last hebben van urine-incontinentie en/of terugkerende blaasontstekingen. Kinderen met obstipatie en/of verlies van ontlasting kunnen ook voor cognitieve training in aanmerking komen, dit wordt beschreven onder PIPO poli.
Tijdens de cognitieve blaastraining leert het kind:
| Hoe vaak het moet plassen (de één gaat te vaak, de ander niet vaak genoeg) |
| Wanneer het moet plassen (de piep voor blijven, zie piepbroek) |
| Hoe het moet plassen (door de curve te beïnvloeden, zie plasproef) |
Werkwijze DBBC
Specialistische continentieverpleegkundigen of kinderbekken- fysiotherapeuten verrichten onderzoek en voeren de behandeling en begeleiding uit na verwijzing van een kinderarts of uroloog. Wanneer een meer intensieve behandeling is gewenst dan kan het kind gedurende enkele uren of één of meerdere dagen in dagbehandeling worden genomen. Ook is het mogelijk dat een kind een dag ter observatie wordt opgenomen. Bij een hele dagopname wordt het kind om 9.00 uur gebracht en in overleg (maar meestal na 15.00 uur) weer opgehaald.
Functionele oorzaak
De bekkenbodem is een spierlaag onder in ons lichaam. De bekkenbodem heeft drie functies: helpen sluiten en openen van de anus en de urinebuis en het "dragen" van de buikorganen. Stoornissen treden meestal op wanneer de bekkenbodemspieren te gespannen zijn of wanneer ze niet op de goede manier of op het juiste moment aanspannen of ontspannen. Dit kan bijvoorbeeld ontstaan na een blaasontsteking,
als het plassen op dat moment pijnlijk is geweest. Bekkenbodemspieren zijn bewust en actief te gebruiken, ook bij kinderen. Veel kinderen zijn zich hiervan niet bewust of voelen dit niet.
De bovengenoemde problemen kunnen zich uiten in de volgende klachten:
| Urine- en / of ontlastingsverlies |
| Onrustige blaas, heel vaak plassen |
| Obstipatie (verstopping in de darmen) |
| Verminderde eetlust / buikpijn / lusteloosheid |
| Blaasontstekingen |
| Angst om te plassen of te poepen |
| Problemen op het gebied van de seksualiteit (bij oudere kinderen) |
Over het algemeen drukken genoemde klachten een grote stempel op het leven van het kind en het gezin. Niet zelden leidt dit tot een isolement van het kind; het durft niet meer naar vriendjes of vriendinnetjes, niet naar een club, niet mee op schoolreis of op kamp. Kinderen voelen zich vaak erg onzeker. Ook ouders kunnen zich afvragen wat er is misgegaan in de zindelijkheidstraining.
Allereerst zullen de klachten geïnventariseerd worden, door middel van een vraaggesprek en een aantal lijsten. Daarnaast moeten drink-, plas- en poeplijsten worden bijgehouden.
De motorische ontwikkeling van het kind wordt beoordeeld, het anatomisch functioneren van onder andere de rug, heupen, andere gewrichten, eventueel beenlengteverschil en of er sprake is van hypermobiliteit. Belangrijk is ook of het kind een goed lichaamsbesef heeft.
Cognitieve blaastraining
Als een kind in aanmerking komt voor cognitieve blaastraining in dagbehandeling dan wordt elke plas op een uroflowmeter gedaan (zie foto links). Bij deze zogenaamde flow wordt de kracht en de hoeveelheid van de plasstraal in een curve omgezet en weergegeven op een computerscherm. Doordat het kind de curve leert te interpreteren kan het kind tijdens het plassen zien wat het voelt. Het kind leert bij welke curve een goede plastechniek wordt gebruikt waardoor het beter zal leeg plassen en minder kans op infecties en incontinentie zal hebben.
Plasproef bij kinderen
Bij de plasproef wordt met de uroflowmeter de urinestraal gemeten. De hoeveelheid en de kracht van de straal kunnen we aflezen doordat de plas wordt opgevangen in een weegschaaltje. Dat weegschaaltje staat onder de WC bril waarop je gewoon zit of waarvoor je staat als je plast, net zoals je dat gewend bent bij een gewone WC.
Aan de urinestraal kunnen we zien of de spieren die ervoor zijn bedoeld om correct leeg te plassen goed worden gebruikt.

Voorbeeld van een goede plas |

Voorbeeld van een plas waarbij je de spieren niet correct gebruikt |
Na de plasproef wordt met de echo gekeken of alles goed is leeg geplast of dat er nog iets is achtergebleven.
Dagbehandeling
De cognitieve training wordt meestal in dagbehandeling uitgevoerd. Het kind kan dan om 9.00 uur worden gebracht en om 16.00 uur weer worden opgehaald. Meestal worden er twee kinderen tegelijk behandeld.
De piepbroek
Het dragen van een piepbroek bevordert het tijdig herkennen van aandrangsignalen. De piepbroek is een gewoon uitziend onderbroekje met daarop een klein kastje die met drukknopen op het broekje is bevestigd (zie foto links). Bij de eerste druppel plas, die in het broekje komt, wordt het kind gewaarschuwd door een piep.
Als uw kind ook ‘s nachts nat is wordt dat als een secundair probleem gezien. Afhankelijk van de leeftijd
en de oorzaak van de problemen overdag wordt ook aandacht aan het bedplassen geschonken. In
principe is het aanleren van een juiste plastechniek overdag een eerste prioriteit.
Begeleiding door pedagogisch medewerkster
Uw kind wordt begeleid door een pedagogisch medewerkster. Zij evalueert elke dag samen met uw kind en een continentieverpleegkundige. De piepbroek blijft ‘s avonds thuis gewoon aan tot het slapen gaan.
Ondersteuning door ouders/verzorgers
De training vereist veel inzet, concentratie en doorzettingsvermogen van het kind, ondersteuning van de andere gezinsleden is dan belangrijk.
Gebruik antibiotica
Gebruikt het kind antibiotica in verband met vaak terugkerende blaasontstekingen dan wordt het gebruik van de antibiotica meestal nog voor langere tijd voortgezet. Dit omdat een terugkerende blaasontsteking de juist verkregen plastechniek opnieuw kan verstoren.
Telefonisch contact
Uw kind houdt een periode telefonisch contact met de pedagogisch medewerkster. Daarna
volgt een afsluitende controle bij de uroloog of de continentieverpleegkundige.
terug naar boven
|